De voorkamer van de tuin

L'antichambre du jardin

We komen in de eerste tuin langs een brede gravelweg, afgeboord met winterbloembedden, die uitkomt op een bank waarvan de plaatsing ongewoon lijkt . In feite omvat hij, op zijn eentje, de geest van de tuin. Indien men hier even stopt, kijkend naar niets, het ongeduld bedwingend, dan ondergaat men terug het mysterie uit zijn kindertijd, toen men met kloppend hart de Prins naar het kasteel van de Schone Slaapster volgde of toen men de deur op een kier opende in de hoop een glimp op te vangen van de Kerstman met zijn kap en witte baard. Zittend op deze bank wordt men bedwelmd door het parfum van bloemen, die men niet kan zien maar die men kan vermoeden en men hoort een geruis van water waarvan men straks de bron zal ontdekken. Als we hier nog even blijven, verwachtingsvol, aangetrokken door het onbekende,- wat het meeste vreugde geeft -, zullen onze aangescherpte zintuigen onze ingedommelde verbeelding prikkelen en voorbereiden om door te dringen tot de intimiteit van de tuin.